51.
Maar de Indiaan hervat: ‘“Mijn vingren joken
Naar daden, met mijn woorden in verbond!
Zoo gij dat woord daar buiten hadt gesproken,
Gij lektet met uw memmentong den grond! ...”’
Nu waar' de twist ontembaar losgebroken,
Maar 's Konings wenk snoert plotsling beider mond;
Terwijl hij tot Armida zich doet hooren:
‘Wèl, Jonkvrouw! zijt gij fier en hooggeboren,