22.
De vale vrees dekt aller aangezicht:
Hun voorhoofd is van ijskoud zweet bedropen.
Geen rede, geen gevoel van eer of plicht,
Kan meer tot gaan of zelfs tot staan hen nopen.
Hier heerscht een macht, waar menschenmacht voor zwicht,
Hier is van zwaard noch beuklaar iets te hopen.
Zij vloden niet maar vlogen! Dus bepleit
Een hunner bij Buljon hun moedloosheid: