3.
En als de zon ter neêr daalt aan de kimmen,
Valt hier een koude, een blinde middernacht.
Dan waren hier afgrijsselijke schimmen,
Dan derft het hart zijn moed, de vuist zijn kracht.
Hier ziet ge zelfs geen schuchtren eikhoorn klimmen,
Hier graast geen rund, hier houdt geen herder wacht.
Door allen wordt het oord des vloeks vermeden:
De vreemde-alleen waagt hier, verdwaald, zijn schreden.