26.
Ze is eindlijk met heur dartlen tooi gereed,
En kust heur Lief vaarwel: daar ze elken morgen
Vele uren aan haar tooverkunst besteedt,
Verdiept in ondernemingen en zorgen.
't Is hem verboôn te volgen, en hij weet
Niet eens wat cel zijn dierbre houdt verborgen.
Hij doolt alleen, in schaduw van 't geboomt,
Terwijl hij dweepend van heur weêrkomst droomt.