21.
En hoort! een kreet, die de aarde dreigt te splijten,
Heeft plotseling hun trillend oor verrast.
Een stormwind schijnt de stammen stuk te rijten;
't Steunt als de golf die tusschen klippen plascht;
't Is of er leeuwen brullen, wolven krijten,
Of de adder sist, de nachtuil knapt en krast,
Trompetten schettren, schorre donders loeien -
Wat klanken die tot ééne klank vervloeien!