51.
Van boven woedt de wiegelende toren,
Omlaag de ram, die rustloos komt en gaat.
Bij elken stoot laat zich een donder hooren,
Die steenen gruist en diepe scheuren slaat.
Nu treedt Buljon met vasten gang naar voren
Tot bij den muur, die wankelt waar hij staat.
De Veldheer is van 't hoofd tot aan de zolen
In 't ijzer van zijn machtig schild verscholen.