55.
En doet ze dan heur stralen loodrecht schijnen,
Dan ziet de mensch, waarheen zijn oog zich keert,
't Gebloemte ontverfd, het rimplig loof aan 't kwijnen,
En 't gras verdord. Het bleek verderf regeert,
De bodem splijt, de wateren verdwijnen:
De schepping wordt door 's hemels wraak verteerd;
De wolken, ledig en onvruchtbaar, weemlen
Als vlammen aan den kopren rand der heemlen.