20.
Als deze nu, de wakkre vuist aan 't zwaard,
Met vasten tred de zwarte schaduw naadren,
Waar 't Geestenheir zich nestelt in 't geblaârt,
Daar slaat ook hun de kille schrik door de aadren:
Maar vreezen, neen! dat is den man onwaard!
Zij zullen al hun heldenkracht vergaadren:
Zij rukken voort tot midden in den nacht,
Omcingeld van de afgrijsbre Hellemacht.