112.
Nu ziet zij, dat slechts zwakte uit bloedverlies
't Bewustzijn des geliefden deed verzwinden,
Maar ach, zij heeft één sluier, anders niets,
Om de allerdiepste wonden te verbinden.
Wat nood! de Min, zoo kunstrijk en zoo kiesch,
Weet ongewone windsels uit te vinden:
De lokken, uit haar weeldrig hair gesneên,
Rolt zij in gouden draân om 't pluksel heen.