78.
Hij houdt haar tegen, rukt vooruit, en staat
Gelijk een palm, wien niets het hoofd doet neigen.
‘Hoe banger nacht, hoe blijder dageraad!’
Ziedaar 't Geloof aan groote zielen eigen.
Dat geeft hem kracht: hij overwint, hij slaat
Zich heen door duizend zwaarden, die hem dreigen,
Bespringt den trans, heeft juichend post gevat,
En baant alzoo voor al de zijnen 't pad.