75.
Veracht dan fier, hoe zij den lust doe rijzen,
De laafnis van dien doodelijken vloed!
Smaadt evenzeer de weelderige spijzen,
Die ge aan den rand van de eigen bron ontmoet,
De Maagden, die met wulpsche tooverwijzen
U lokken, en met oogen, louter gloed!
Zijt blind en doof voor heur aantreklijkheden,
En haast u door de hooge poort te treden!