61.
Gespierde helden, langs de ruwste wegen
Naar hier gerukt, in 't wapen ijzervast,
Die Heidenhorden met hun lans doorregen,
In doodsgevaar door doodsangst nooit verrast,
Die liggen hier aêmechtig neêrgezegen,
Zich-zelven tot een nutteloze last,
Terwijl de dorst in hart en ingewanden
Een nooit gedoofde, ondoofbre hel doet branden.