40.
‘Gij,’ snikt ze, ‘neemt de helft mijns levens me af,
En laat mij de andre! Ach, wil die twee niet scheiden!
Één zijn ze! Gun ze mij! Of - delf ze een graf!
Moet ik-alleen mij tot den dood bereiden?
Toef dan tot ik mijn laatsten groet u gaf
In tranen - niet in kussen: die verbeiden
U elders. Hoe? Lafhartige, gij vliedt?
Die vluchten kon, kan weigren. Vrees dan niet!’ -