10.
Argant herneemt: ‘“Ik mijmer bij den val
Der oude Stad, vorstin van Judaas steden:
Het haatlijk Kruis bespot mij van haar wal:
'k Heb dan vergeefs zoo lang en bang gestreden!
Wat baat me uw kop, dien ik doorklieven zal,
Bij d' ondergang van zooveel heerlijkheden?”’ -
Hij zwijgt. De kamp begint. Naauw geven ze acht,
Want ieder kent zijns vijands leeuwenkracht.