101.
O mocht slechts hij, die met onbreekbre snoeren
Mijn hart omwindt, niet zeggen koel en fier:
“Wat komt gij toch mijn stille rust beroeren?
Gij dolende slavinne, wijk van hier!”
Mocht hij me op nieuw den kerker binnenvoeren,
En geven mij de Liefde tot cipier! ....’
Zoo zucht Herminia, in smachtend klagen;
Zoo sprekend gaan ze verder, uren, dagen.