50.
Als plotseling een valk ter nederschiet,
Met kromme neb en scherpgeklaauwde poten,
Die dreigend haar den verdren tocht verbiedt.
De simple duif, straks tot de vlucht besloten,
Daalt waar ze in 't Kamp de hoofdtent open ziet,
En schuilt er weg, van doodsangst overgoten.
De valk haar na! Al hooger stijgt de nood,
Daar bergt de duif het kopje' in Godfrieds schoot!