34.
Hij naakt den myrthenboom; maar zij omarmt
Den dierbren stam, en schreit, door angst gedreven:
‘Verwoest hem niet, den boom die mij beschermt,
Mijn woning! ach, mijn schuilplaats! Laat haar leven!
Leg af uw zwaard; of - zoo ge u niet erbarmt,
Doorstoot mijn borst en doe Armida sneven!
Ja, slacht uw bruid, die aan uw voeten knielt,
Eer gij mijn boom, mijn schoone myrth, vernielt!’ -