66.
En dringt misschien de weelderige gloed
Al dieper door, is ook hun hart gevangen,
't Gezond verstand bestrijdt met mannenmoed
In de ijzren borst het kiemende verlangen.
De Nymfen zien hen gaan, maar zonder groet
Of wederwoord of zelfs een blik te ontfangen;
En tot heur spijt en woede dus gesmaad,
Verbergen ze in de golven heur gelaat.