42.
Zij biedt hem troost, en stelpt zijn tranenvloed,
Tot de ure slaat voor 't waagstuk uitgelezen;
Nu snelt ze den Cirkasser te gemoet',
Die deelgenoot der grootsche daad zal wezen.
Ismeen vuurt ze aan, en prikkelt nog een moed,
Die reeds bij 't paar ten toppunt is gerezen.
Een licht, dat in een hoornen koker brandt,
Een bal van harst, stelt hij aan elk ter hand.