30.
Als eindlijk hem de Veldheer opontbiedt,
Daar poogt hij eerst aan zijn bevel te ontkomen.
Hij gaat in 't eind, maar traag. Hij andwoordt niet,
Of spreekt hij, zijn vertelsels schijnen droomen.
Buljon, met vorschende' arendsblik, doorziet
Wat d' eedlen held zijn veêrkracht heeft ontnomen;
Hij spreekt: ‘Hoe nu? heerscht hier een toovermacht?
Of de invloed van verheven scheppingspracht?