7.
De Veldheer gaat, en uit zijn heldenoogen
Gloeit reeds vooruit de vreugd der zegepraal.
Des Hemels gunst beschijnt hem uit den hoogen:
Zoo groot, zoo fier, was hij geen enkle maal!
Een heilige ernst throont op zijn wenkbraauwboogen,
Zijn aanschijn bloost van jonkheids zonnestraal;
Zijn gang, zijn blik, is plechtig, is verheven:
Iets bovenmenschlijks schijnt den Held te omzweven.