35.
Zoo doet Gildippe een menigte andren sneven,
Wier namen in den tijdstroom zijn vergaan;
Maar nu, door lust tot zulk een buit gedreven,
Valt heel de drom der Perzen op haar aan.
Heur egâ ziet haar na met heimlijk beven,
En haast zich, zijn geliefde bij te staan.
Die beide, dus veréénigd in hun pogen,
Gevoelen door de Min hun kracht verhoogen.