28.
Ziet, ziet! daar grijnst - afgrijsselijk gezicht! -
Een monsterschaar van elken wal hem tegen,
En houdt op hem het loerende oog gericht,
En spant den boog, of zwaait den vlammendegen.
Hij deinst in 't eind, en schoon hij langzaam zwicht,
Gelijk een leeuw bestookt op al zijn wegen,
't Is zwichten toch, 't is vluchten! en voor 't eerst
Voelt hij zijn bonzend hart door vrees beheerscht.