29.
Nog wist hij niet, dat hem de vrees deed beven:
Hij merkt het pas als hij het woud ontvlood.
Hij staat verbaasd, door diepen spijt gedreven;
De schaamte kleurt zijn voorhoofd purperrood;
Hij sluipt daarheen; hem drukt de last van 't leven,
En 't naberouw bedroeft hem tot der dood:
Hij, vroeger nooit in fierheid te overtreffen,
Hij waagt het niet zijn oogen op te heffen.