87.
Maar helsche Ismeen, nu zich de vlammen keeren,
Ziet zich bestreên door eigen solfervuur.
Nog eens wil hij de macht der Hel bezweren,
En dwingen heel de oproerige Natuur.
Daar treedt hij, voor het oog der beide heiren,
Naast twee gevloekte heksen op den muur.
Ruig, scheel, gewoon de duivlen te gebieden,
Schijnt hij een Pluto tusschen Eumeniden.