60.
Maar plotsling ruischt de vloed met nieuwe kracht.
Dat doet hem op den waterspiegel staren:
Een golf verschijnt, en deinst, met schuim bevracht;
Een trilling schijnt door 't rimplend vlak te varen:
En ziet! daar rijst een blonde lokkenpracht,
Een vriendlijk meisjenskopjen klieft de baren,
Daar blinkt een hals, een boezem, blank en teêr,
En zooveel andre aanvalligheden meer.