27.
Gelijk op 't doek, of tusschen schouwburgschermen,
Somtijds een schaar van boschgodinnen stoeit,
Met opgeschort gewaad, los hair, bloote armen,
De voetjens met de jachtkothurn geschoeid:
Zóó dartlen daar die huppelende zwermen
Van nymfen ook, door 't geurig loof ombloeid.
Alleen is haar geen pijlbus omgehangen,
De werpspiets door viool en luit vervangen.