66.
‘Vriend, gij verwint! 'k Vergeef. Ook gij, vergeef!
Genâ, - niet voor mijn lichaam: 'k laat het slopen! -
Maar voor mijn ziel, mijne arme ziel! Ik sneef:
Och, Christen, bid voor mij en laat mij doopen!’
Die stem, zoo droef, zoo roerend teêr, verdreef
Zijn haat op eens: geheel zijn hart ging open:
Een wonderzoete ontroering greep hem aan,
En lokte in 't oog een weemoedvollen traan.