47.
Den Ridders beidt in 't lommrig loof der blaâren
Een schuilplaats voor de korte rust der nacht.
Maar naauw begint het Oosten op te klaren,
Waar 't licht herschijnt in nieuwgeboren pracht,
Of 't is: ‘Voort! voort!’ en uit den slaap gevaren,
Begint ons paar den loop met frissche kracht.
Daar zien ze op eens de struiken zich bewegen,
En - dreigend grijnst een monsterslang hun tegen.