37.
De bodem beeft - de zwarte wolken dragen
De donders aan op vliegend bliksemlicht;
De orkanen worstlen met de hagelvlagen,
En zweepen 't ijs den Ridder in 't gezicht.
Toch houwt hij voort met altijd wisse slagen:
Eer gaat de waereld onder, eer hij zwicht.
Daar valt de myrth! - Nu is de kracht verbroken
Van 't Tooverspel! Verdwenen zijn de spoken.