98.
Maar dus verdeeld in wil, verdeeld in kracht,
Wat zou hij tegen Soliman vermogen?
Nu richt hij op zijn gade die versmacht,
Dan op zijn weêrpartij de raadloze oogen.
Die wreedaart klieft, terwijl hij schaterlacht,
Hem d' arm, waarop de dierbre ligt gebogen.
Zoo valt ze, want zij heeft geen steunsel meer!
Hij volgt en stort op 't veege lichaam neêr.