11.
De staf wordt door zijn rechterhand bewogen;
Eerwaardig golft zijn witte baard ter neêr;
Nog gloeit het vuur der jonkheid uit die oogen,
Zoo helder als een wolkeloze sfeer.
Hem siert de kroon van koninklijk vermogen,
De zilverkrans der jaren evenzeer:
Zóó zou Apel een Jupiter ons malen,
Maar Jupiter, omringd van bliksemstralen!