92.
Daar vloeit het bloed, een roode zee gelijk,
Al schuimend saam' uit zwellende rivieren:
De Dood vergroot zijn somber koninkrijk,
Rondwarend met zijn bleeke lijfstaffieren.
Daar rent een ros, verlaten, langs een dijk
Van lijken voort en doet de teugels zwieren;
De Sultan grijpt ze, en werpt zich op 't genet,
Dat hij de sporen in de lenden zet.