25.
Zoo bidt hij en al de andren onderschragen
Zijn beê door gunstig momplen keer op keer:
En Godfried, als verraste hem dat vragen,
Herneemt terstond: ‘Mijn vrienden! nimmermeer
Onthoud ik wat het innig welbehagen,
De zielswensch is van heel mijn roemrijk heir.
De strengheid wijke: een algemeen begeeren
Wil ik met vreugde als wet en regel eeren.