117.
Weleer van zooveel ridderen omgeven,
Blijft ze op heur trotschen wagen nu alleen.
Zij vreest de slavernij, zij haat het leven,
Haar uitzicht op triomf, op wraak, verdween.
Ze ontvlucht heur kar, door woede en vrees gedreven,
Bestijgt heur paard en ijlt gevleugeld heen -
Toch volgen haar, bij 't deinzen van heur vrinden,
Heur liefde en toorne, als trouwe hazewinden.