70.
Armide slaat in 't eind den blik omhoog:
De helderheid keert op heur voorhoofd weder.
Een lach doorstraalt den hemel van heur oog,
Als de uchtendzon de wolken, naamloos teder.
‘Neen,’ zegt ze, ‘hoe mijn kranke ziel zich boog,
De hope op u werpt mijn bezwaren neder.
Ik wacht van u de zege mijner zaak:
De wrok is zoet bij 't uitzicht op de wraak!’ -