4.
Nog nimmer zag een brooze zoon der aard
Een droom zoo schoon zich tot zijn sponde keeren,
Als die Buljon het heilgeheim verklaart
Des hemels en der dichte starrenheiren.
't Is of hij in een wonderspiegel staart,
Die 't beeld weêrkaatst der slingerende sfeeren:
't Is of hij door een zuivren éther zweeft,
Waar gulden glans de fijnste stralen weeft.