48.
Ik zag op eens een vreeslijk vlammend vuur
Uit niets ontstaan en zonder brandstof gloeien.
't Omringde alom 't geboomte met een muur,
En uit den smook hoorde ik gedrochten loeien;
Toch drong ik door: ik voelde geen kwetsuur,
Geen vonk had macht me een enkel hair te schroeien.
Toen werd het nacht: de koû viel snerpend neêr -
Maar eensklaps keerden licht en warmte weêr.