69.
Wat verder, van de vrouwenschaar omgeven,
Zit Altamor, die sluw zijn vlam verheelt;
Soms laat hij een verstolen vuurblik zweven
Naar 't aangezicht van 't lieflijk englenbeeld,
Of naar die hand, uit leliën geweven,
Of, als te met een dartle zefier speelt,
Naar 't kuiltjen van dien boezem, dalend, stijgend,
Als tweelingsgolfjens op het windtjen hijgend!