65.
Met welk een heir zal hij de muren buigen,
Waar achter ons de Heiden 't voorhoofd biedt?
Waar groeit hem groen geboomt' voor de oorlogstuigen?
Ziet hij-alleen des Hemels gramschap niet?
Durft hij bij al die duizend teekens juichen,
Die kond doen, dat de Almachtige ons verliet?
De zon is kokend lood, de hemel koper:
Zoo smacht geen Indiaan, geen Ethioper!