68.
Zij knielt in 't gras aan d' oever van den vloed,
Waar roos en lelie en liguster bloeien;
En strengelt, met een tooverenden spoed,
Wel zachte, ja, maar onverbreekbre boeien.
Zij vlecht hem 't snoer om hals en arm en voet;
Hij sluimert voort en voelt den kus niet gloeien,
Waarmeê ze al zacht hem in heur luchtkoets draagt,
En nu gevleugeld door de ruimte jaagt.