60.
Dan, krank, gewond, naast lijken uitgestrekt,
Zult gij, Barbaar! mij al uw schuld betalen!
Reeds hoor ik u, met rookend bloed bevlekt,
Armidaas naam al stervende herhalen!’ -
Zij eindigt niet: een aaklig floers bedekt
Dat oogenpaar, straks tintelend van stralen;
Een ijskoud zweet vloeit langs heur leden neêr,
Zij zijgt ter aard; en ziet, hoort, voelt niet meer.