19.
Ik eisch gewone dingen. Weest ook heden
Dezelfde, die ge alom en altijd waart!
Toont d'ouden moed! Voert, worstlende in gebeden,
Tot uwe en mijne en Christus' eere 't zwaard.
Gaat, doodt dit godloos rot! vertrapt zijn leden!
Zoo worde ons Rijk geheiligd en bewaard!
Dan - waartoe meer? De strijd moet nog begonnen:
Maar 'k lees reeds in uwe oogen: 'k Heb verwonnen!’