70.
Maar 't werptuig woede en pijlenhagel fluit',
Niets kan de vlijt der Heidenen verstoren:
Zij spannen reeds hun taaie doeken uit,
En menig wolbaal wentlen zij naar voren,
Waarop de vaart der oorlogsrammen stuit,
Waarin, halfweg, de vliegende ijzers smoren.
Ook schieten zij in 't allerdichtst allarm
Hun flitsen neêr, een scorpioenenzwerm!