55.
Zij dekken zich, noch weeren af, noch wijken:
Behendigheid maakt plaats voor noeste kracht;
Het regent slagen, die elkaâr gelijken;
Wat baat de kunst, waar gramschap heerscht en nacht?
Onwrikbaar staat het paar: hun zwaarden strijken
Vernielend neêr op de ijzren wapendracht.
Geen voet verroert, maar de arm vaart op en neder
Met houwen telkens dichter, telkens wreeder.