4.
En Tankred, met een lach van medelij',
Beandwoordt dus die zinnelooze kreeten:
‘Laat kom ik weêr; en 't smalen staat u vrij,
Toch zult ge aldra mij al te haastig heeten,
En wenschen, dat er tusschen u en mij
De zee lag en de onmeetlijke Alpenketen!
Geen vrees is 't, die mijn uitstel heeft gebaard:
Dat zal ik u bewijzen met mijn zwaard!