32.
Komt gij als vriend, of vijand? Had ik ooit
Mijn brug gebouwd, zoo ik een vijand wachtte?
Met beekjens en gebloemte 't woud getooid?
Den weg gebaand? Mijn éénigste gedachte,
Mijn hoop, waart gij! Hoe staat gij dus verstrooid?
Leg af dien helm, en zie mij aan. Ik smachte!
Gun me aan uw hart het zaligste geluk,
Of duld althands, dat ik uw handen druk!’