50.
Nu zien ze op eens door 't krakende geblaârt'
Een woudleeuw zich een snellen doortocht banen:
Hij blikkert met de tanden, dichtgeschaard
En scherpgepunt. Zijn stem loeit als de orkanen;
Hij geesselt zich de lendnen met den staart
En schudt vergramd de steigerende manen.
De roede kraakt: daar maakt de vrees hem tam,
Hij siddert, en - ontvlucht gelijk een lam.