77.
Zoo zag men hier de dorstenden zich reppen
Naar 't hemelsch vocht, dat om hunne enkels spat.
Het handgeklap vervangt hier 't vleugelkleppen;
Zij maken zich gewaad en lokken nat.
Die neemt een beker, deze een helm tot scheppen,
Die doopt de hand in 't frissche waterbad,
Die koelt zijn slapen, gene mond en wangen,
Die haast zich 't vocht in kruiken op te vangen.