23.
Armida hoort heur schoonheid lachend roemen;
En snoert terwijl om 't voorhoofd van albast,
In vlecht en krul, te veel om op te noemen,
De weelderig verwarde lokken vast;
En elke tres doorstrengelt zij met bloemen,
Die schittren als email in goud gekast.
Zij strijkt het halsfloers glad, en dekt heur boezem,
Een roosjen parende aan zijn leliebloesem.